Kwaliteitsklassen

Kwaliteitscategoriën 

Kwaliteitsniveaus

Iedereen kent de begrippen Kabinett, Spätlese, Auslese etc. Maar wat zit er nu precies achter?

We kennen allemaal wel begrippen als Kabinett, Spätlese, Auslese etc. Maar wat zit er precies achter deze begrippen?

Voor veel wijndrinkers is de kwaliteitsklasse van een wijn het belangrijkste onderdeel van de wettelijk voorgeschreven informatie op een etiket. In Duitsland zijn er diverse kwaliteitsklassen.


Men onderscheidt de volgende kwaliteitsklassen en kwaliteitsniveaus:

Duitse Landwein (landwijn) hoort tot de wijnen met een berschermde herkomstbenaming. Het is een eenvoudige wijn, die staat voor typiciteit van de regio. Landwein is altijd droog of halfdroog. Sedert 1 augustus 2009 zijn in Duitsland volgende Landwein-gebieden vastgelegd:

  1. Ahrtaler Landwein
  2. Badischer Landwein
  3. Bayerischer Bodensee-Landwein
  4. Brandenburger Landwein
  5. Landwein Main
  6. Landwein der Mosel
  7. Landwein Neckar
  8. Landwein Oberrhein
  9. Landwein Rhein
  10. Landwein Rhein-Neckar
  11. Landwein der Ruwer
  12. Landwein der Saar
  13. Mecklenburger Landwein
  14. Mitteldeutscher Landwein
  15. Nahegauer Landwein
  16. Pfälzer Landwein
  17. Regensburger Landwein
  18. Rheinburgen Landwein
  19. Rheingauer Landwein
  20. Rheinischer Landwein
  21. Saarländischer Landwein
  22. Sächsischer Landwein
  23. Schleswig-Holsteiner Landwein
  24. Schwäbischer Landwein
  25. Starkenburger Landwein
  26. Taubertäler Landwein

Prädikatsweine

Voor Prädikatsweine gelden de strengste eisen ten aanzien van duivenras, rijpheid, harmonie en elegantie. Bij deze wijnen mag geen suiker toegevoegd worden. Er zijn zes verschillende predikaten, telkens met verschillende minimum mostgewichten per druivenras en gebied. In zuidelijke gebieden is in de regel sprake van hogere minima dan in noordelijke.

De Prädikate zijn, in oplopende volgorde:

Kabinett: fijne, lichte wijnen uit rijpe druiven met weinig alcohol.

Spätlese: rijpe, elegante wijnen met mooi fruit, die wat later geoogst worden.

Auslese: edele wijnen uit volrijpe druiven; onrijpe druiven worden verwijderd.

Beerenauslese: volle, fruitige wijnen uit overrijpe druiven met edele rotting; de botrytis (edele rotting) draagt bij aan de kwaliteit; dergelijke wijnen kunnen niet ieder jaar geoogst worden, maar ze kunnen tientallen jaren bewaard worden.

Trockenbeerenauslese: uit verschrompelde, rozijnachtige druiven met edele rotting, top van de kwaliteitspiramide, zoet en honingachtig, extreem lang te bewaren.

Eiswein: gemaakt van druiven met eenzelfde minimum mostgewicht als een Beerenauslese, in bevroren bij minimaal 7 graden onder nul geplukt en in bevroren toestand geperst, zodat alleen het fruitconcentraat overblijft.

Iedere Duitse wijn moet met een van deze kwaliteitsaanduidingen aangemeld worden.

Sinds de jaargang 2000 mogen wijnen ook met de begrippen Classic en Selection aangeduid worden.

Het begrip Classic geeft aan dat het om een wijn van een klassiek, gebiedstypisch druivenras gaat, die voldoet aan een hoge kwaliteitseis en vol, krachtig, aromatisch en droog van smaak is. Het alcoholgehalte ligt tenminste 1% boven het minimum mostgewicht voor het bewuste druivenras, het alcoholgehalte bij minstens 12%. (Uitzondering: Mosel met minimaal 11,5%). De hoeveelheid restsuiker bedraagt maximaal 15 g/l.

De nieuwe droge Duitse wijnelite wordt gekenmerkt door het begrip ‘Selection’. Garant voor de superieure kwaliteit van deze wijnen zijn uitgelezen wijngaarden, een lage opbrengst en pluk met de hand. Selectionwijnen mogen op zijn vroegst op 1 september van het jaar na de oogst gebotteld worden. Ze hebben minstens 12,2 % natuurlijke alcohol, resp. het mostgewicht van een Auslese. De opbrengst is beperkt tot 60 hl/ha.


Deutscher Wein

Deutscher Wein ohne Herkunftsbezeichnung (Duitse wijn zonder herkomstbenaming) vervangt sinds de EU-wijnwetgevingsverandering van 1 augustus 2009 het begrip Tafelwein (tafelwijn). Deze categorie mag nu ook een vermelding van druivenras en jaartal dragen. De kwaliteitsvereisten liggen wel lager dan die voor Qualitäts- en Prädikatswijnen.

Qualitätswein

Qualitätswein bestimmter Anbaugebiete (Q.b.A) vormt de grootste groep Duitse wijnen. Deze kwaliteitswijnen moeten voor de volle 100% uit een van de 13 Duitse wijnbouwgebieden (Anbaugebiete) afkomstig zijn. Voor iedere Qualitätswein zijn, afhankelijk van druivenras en herkomstgebied, minimum normen voor het natuurlijke alcoholgehalte vastgesteld. Het minimum mostgewicht varieert tussen 50 en 72 graden Oechsle. Evenals tafelwijnen mogen kwaliteitswijnen gechaptaliseerd worden. Deze toevoeging van suiker voor de gisting is wettelijk beperkt. Per liter mag door chaptalisatie 20 tot 28 gram extra alcohol ontstaan.


Smaakrichtingen

Trocken is niet altijd even droog. Voor wijn en sekt gelden verschillende smaakaanduidingen. Daarbij staat hetzelfde begrip voor uiteenlopende hoeveelheden restsuiker.

Bij wijn worden vier smaakrichtingen onderscheiden.

Trocken is de aanduiding voor wijnen, die geheel of bijna geheel doorvergist zijn, d.w.z. wijnen met een hoeveelheid restsuiker tot maximaal 4 gram per liter. De wetgever staat de aanduiding trocken ook toe tot 9 gram, wanneer de in g/l uitgedrukte hoeveelheid zuren hoogstens 2 g/l lager is dan de restsuiker. (Formule: zuren + 2 tot maximaal 9). Een droge wijn is niet hetzelfde als een zure wijn. Hij bevat alleen maar weinig onvergiste suiker. Wel proef je een hoge zuurgraad bij droge wijnen eerder.

Halbtrockene wijnen mogen tot 12 gram restsuiker per liter bevatten, of maximaal 18g/l wanneer de hoeveelheid restsuiker niet meer dan 10 gram boven de hoeveelheid zuren ligt. (Formule: zuren + 10 tot maximaal 18).

Liebliche wijnen hebben een hoeveelheid restsuiker die hoger ligt dan de normen voor halbtrocken, maar niet meer dan 45 g/l bedraagt.

De aanduiding süß is toegestaan vanaf 45 g/l restsuiker.