In 13 verschillende Duitse gebieden wordt wijn gemaakt. Daarmee heeft de wijndrinker een enorme keuze aan heel uiteenlopende wijnen met een regionaal karakter.
Duitse wijn onderscheidt zich van wijn uit andere landen door zijn lichtheid, levendigheid en fruitigheid. Deze eigenschappen van Duitse wijnen zijn terug te voeren tot bijzondere klimaat- en bodemcondities. Op Sachsen en Saale-Unstrut in het oosten na liggen de Duitse wijngebieden geconcentreerd in het zuidwesten en zuiden van het land. Ze horen tot de noordelijkste wijnbouwgebieden in de wereld en bevinden zich op de grens tussen het milde en vochtige Golfstroomklimaat in het westen en het droge continentale klimaat in het oosten. De lange groeitijd en de bescheiden zomerwarmte maken de wijnen subtiel en niet te alcoholisch. Verschillende bodems en druivenrassen dragen er toe bij dat Duitse wijnen allesbehalve uniform zijn.